MOB-versie | Naar grote versie



boil, cook

Cook

Cook = eten bereiden, gaar koken, of zelfstandig naamwoord: kok

  • Henry will cook dinner tonight.
    (Henry kookt vanavond.)
     
  • The rice was cooking.
    (De rijst was aan het gaarkoken.)
     
  • Ann is a good cook.
    (Ann is een goede kok.)

 

Boil

Boil = verhitten tot het kookpunt (ook figuurlijk)

  • In this country you should boil the drinking water first.
    (In dit land kun je beter het drinkwater eerst koken.)
     
  • A boiled egg.
    (Een gekookt ei.)
     
  • The kettle is boiling.
    (De waterketel kookt.)
     
  • The milk has boiled over.
    (De melk is overgekookt.)
     
  • Boiling with rage.
    (Koken van woede.)
     





Help | Contact  |  Instellingen  |  


Beter Spellen  Beter Rekenen  NU Beter Engels  NU Beter Duits  NU Beter Frans  NU Beter Spaans  Beter Bijbel  

Martin van Toll Producties
in samenwerking met