29 JUN (klik op een pijltje om naar een andere datum te bladeren)
De deelnemers op niveau 1 hebben de test van 29-06-2026 zo ingevuld:
(Wat ben je aan het doen? - Ik ben de hond aan het uitlaten.) What are you doing? - I ........ the dog.
are walking walk walks 'm walking
Je gebruikt de tegenwoordige tijd in duurvorm ("to be" gevolgd door een werkwoord + -ing) voor iets dat nu aan de gang is of wat iemand nu aan het doen is.
Zie ook de pagina tegenwoordige tijd.
(Jackson wil hun verhalen horen.) Jackson wants to hear ........ stories.
theire there their they're
There = er, daar They're = they are Their = hun (bezittelijk voornaamwoord)
Zie ook de pagina their, there, they're.
(We gaan meestal uit dansen op zaterdagavond!) We usually go dancing ........ a Saturday night!
by in on at
'On' (betekenis: op) is een voorzetsel van tijd en wordt altijd gebruikt als je naar een specifieke dag verwijst.
Zie ook de pagina in, at, on.
(Ik probeer het verhaal stukje voor stukje te reconstrueren.) I'm putting the story together one ........ at a time.
peice peace peece piece
De juiste spelling van 'stukje' is 'piece'.
Zie ook de pagina accessible.