47241 actieve gebruikers
Inloggen bestaande gebruiker
Aanmelden nieuwe gebruiker

Naar mobiele versie


werkwoorden | vraag

Je kunt op verschillende manieren vragen maken in het Engels.

 

Zinnen met werkwoord to be of met hulpwerkwoord

Vragen met to be en hulpwerkwoorden (zoals can / may /should) maak je door het hulpwerkwoord vooraan in de zin te zetten:

  • You can swim very well. 
    Can you swim very well?
     
  • He is a good runner.
    Is he a good runner?

 

Zinnen met andere werkwoorden

Voor de overige werkwoorden begin je vragen met een vorm van het woord "do". Dit woord wordt ook wel de "dummy-do" genoemd omdat het een woordje is dat op zichzelf niks betekent maar de mogelijkheid biedt om een zin een andere functie te geven (zoals, in dit geval, van een zin een vraagzin maken):

  • Dogs like meat.
    Do dogs like meat?

 

Bij he / she /it gebruik je niet do maar does.

Het werkwoord verliest de s omdat de s nu al in does staat!

  • He loves to play tennis.
    Does he love to play tennis?

 

Zinnen met have

Als je een zin met have vragend maakt, begin je de zin met do of does:

  • You have curly hair.
    Do you have curly hair?
     
  • She has a boat.
    Does she have a boat?
     

Zinnen met have got 

Als je een zin met have got vragend maakt, zet je "have" of "has" vooraan:

  • They have got enough clothes.
    Have they got enough clothes?
     
  • He has got a new car.
    Has he got a new car?

 

WH-vragen

Als je in het Engels "wat/welke/waar/wanneer/waarom/hoe/wie" wil vragen, doe je dat als volgt:

What was she reading?

Wat…?

Which did you prefer, maths or PE?

Wat (Welke)…?

Where would he have lunch?

Waar…?

When did you see them?

Wanneer…?

Why were you late for school?

Waarom…?

How could you do this?

Hoe…?

Who was that man?

Wie…?

  

 

Aangeplakte vragen

Als je wilt weten of iemand er net zo over denkt als jij, kun je een korte vraag achter een gewone zin plakken. In het Nederlands zeg je dan "toch?" of "nietwaar?".

 

Als de zin bevestigend is, is de aangeplakte vraag ontkennend:

  • His friend is nice, isn't he?
  • These castles are really old, aren't they?

Na een zin met "I am" zou je verwachten: "am I not" of "amn't I". Deze laatste vorm wordt in Schots en Iers dialect wel gebruikt, maar Standaardengels is "aren't I".

  • I am clever, aren't I?

Als de zin ontkennend is, is de aangeplakte vraag bevestigend:

  • They can't help us, can they?
  • He isn't here right now, is he?
     

Als er in de zin een vorm staat van to be (am / are / is) of een hulpwerkwoord (zoals have / can / should / may / will), herhaal je die vorm in de aangeplakte vraag:

  • The holiday is fantastic, isn't it?
  • They have been playing all day, haven't they?
  • They should take some time off, shouldn't they?
  • They would like to win, wouldn't they?

 

In alle andere gevallen gebruik je de "dummy-do":

  • They never talk about money, do they?
  • She loves him, doesn't she?
  • John moved to Italy, didn't he?





Beter Spellen  Beter Rekenen  NU Beter Engels  NU Beter Duits  NU Beter Frans  Beter Bijbel  Beter Bijbel  

© 2012 - NU Beter Engels is een initiatief van Martin van Toll Producties

in samenwerking met Noordhoff Uitgevers